"Bén je nou zo normaal of doe je dat alleen voor mij?", vraag ik je, maar je hoort & ziet dat ik al gestruikeld ben. De vraag flapte eruit, ontsnapte duidelijk aan de censuur & je lacht.
"Wacht even", zeg je, "Even terugspoelen. Herformuleren & misschien kan ik je vraag dan beantwoorden."
Het herformuleren is moeilijk, wordt zelfs een hele worsteling, want de vraag was zo ongelooflijk dringend, het onbegrip waar hij uit voortkwam zo groot, dat geen enkele andere formulering bevredigend lijkt. Als je jong bent zeg je precies wat je bedoelt & hoe je het bedoelt. Dan wil je niet dat grote mensen je woorden eerst gaan verdraaien voordat ze eindelijk antwoord geven op een vraag die de jouwe al niet meer is.
Je antwoord stelt dan ook niet helemaal gerust.
Je zegt iets over verschillende werelden.
Vervreemding blijft, zij het nu bespreekbaar.
Misschien, denk ik achteraf, kan ik het ook níet uitleggen. Misschien is het écht gek, ik weet het niet. Hoe moet ik duidelijk maken dat het voelt alsof ik klappen krijg? En als ik ze niet krijg, dat ik er voortdurend alert op ben dat ze komen zodra ik mijn mond opendoe? Het voelt zo vreemd dit te ervaren, door de klappen heen te moeten praten tegen iemand die die klappen helemaal niet meekrijgt. Je blijft rustig zitten terwijl ik de klappen krijg of probeer te ontwijken. Dat is soms eenzaam. En even zo vaak onbegrijpelijk.
Maar sommige spaanders vallen onvermijdelijk voor je voeten & pak je op. Je sust. Een gedwongen opname - door je collega opgebracht - gaan we helemaal niet doen want zo'n relatie wil je niet met me hebben. Je vraagt in plaats daarvan of je mág opnemen - er wordt nee geschud: de klappenregen belet het spreken.
Is dat terug bij af? Niet helemaal, want we gaan werken aan de voorwaarden die het wél mogelijk moeten maken voor mij om opname uit te houden. Omdat die, waar zo adembenemend destructief gehakt wordt, wel nodig is.
|